Onderzoek en revalidatie bij spieraandoeningen
CIB-tijdschrift nr. 39 (09-2007)
Rubriek: Medisch - CIB Algemeen
Dr. I. Vanneuville, fysiotherapeute
Wat is een EMG?
Een belangrijk deel van het spier- en zenuwonderzoek gebeurt met een EMG (elektromyografie). Dat betekent letterlijk ‘het weergeven door middel van geluid en beeld (grafie) van de elektrische activiteit (elektro) van de spieren (myo)’. Met die techniek meet men de activiteit van de spieren, ook meet men de werking van de zenuwen. Het onderzoek duurt gemiddeld 30 minuten, maar dat hangt af van de uitgebreidheid ervan: een klein deeltje van de arm, beide armen, de vier ledematen of een kleiner deel van het lichaam in detail. Een beperkt onderzoek kan na 15 minuten afgelopen zijn, een uitgebreid onderzoek vraagt soms 45 minuten.
Het wachten op het resultaat van een onderzoek brengt voor de patiënt altijd spanning mee. Bij een EMG kan de dokter onmiddellijk het resultaat meedelen, terwijl men op het resultaat van een spierbiopsie twee à drie weken moet wachten.
Het EMG-onderzoek bestaat al heel lang, maar vroeger moest men alles noteren en alle instellingen manueel veranderen. Sinds een vijftal jaar
is het volledig computergestuurd, wat veel tijd uitspaart en het ook gemakkelijk maakt om een mooi rapport af te leveren voor de dokter die
het vraagt.
Naast een groot toestel, bestaan er ook kleine draagbare EMG-toestellen voor het onderzoek
van een moeilijk te verplaatsen patiënt. Hierdoor kan het onderzoek op de kamer gebeuren,
hoewel men dat zoveel mogelijk vermijdt. Die toestellen zijn vrij gevoelig voor allerlei elektrische storingen en een elektrisch apparaat in de buurt geeft snel storingen.
Soorten
Elektrodiagnose is een verzamelnaam voor een aantal onderzoekstechnieken: een naaldonderzoek, een geleidingsonderzoek, de SSEP, de MEP, en een onderzoek met geluid of met licht.
Naaldonderzoek
Iedere keer een spier moet bewegen, krijgt hij allerlei chemische prikkels waardoor hij kan samentrekken. Die potentiaalveranderingen (spanningsverschillen) in de spieren kan men meten. Hiervoor prikt de arts in de spier met een heel fijn naaldje waarin een kleine elektrode zit. Een spier in rust reageert niet, maar zodra de spier werkt, ontstaan spanningsverschillen die men op een scherm ziet en die men ook kan horen. Aan de snelheid van de signalen en aan het patroon ervan weet men of een spier al dan niet goed werkt. En bij een naaldonderzoek is dat een heel specifiek patroon, waardoor we perfect kunnen zien dat er een spieraandoening is.
Het prikken met het naaldje ervaart de patiënt als een vervelende muggenbeet. Het kan ook een klein blauw plekje geven, meer niet. Door het naaldonderzoek kan men een aantal dagen wat stramme spieren hebben, maar dat verdwijnt; niemand houdt daar iets aan over. Daarom is een EMG-onderzoek te verkiezen boven een biopsie, zeker bij een twijfelgeval.
Bij een biopsie wordt een klein stukje van de spier weggenomen om onder een microscoop te onderzoeken. Nu weten we dat delen van de spier aangetast kunnen zijn, maar andere delen niet. (Zie CIB-ts nr. 38, blz. 8, figuur 6). Als de arts de pech heeft een biopt uit een stukje gezonde spier te nemen, kan hij denken dat er niets aan de hand is.
Bij een EMG is de kans dat men steeds in een stukje onaangetaste spier prikt, bijna niet mogelijk.
Soms moet de arts na een EMG nog een spierbiopsie uitvoeren. Een biopt mag niet gebeuren op de plaats waar de spier door het naaldje beschadigd is, want dat zou leiden tot een verkeerde diagnose. Daarom kruist men bij het naaldonderzoek de plaats van elke prik aan.
Om een correcte diagnose te stellen, en zeker in het kader van myositis, moet de arts eerst een bloedonderzoek doen met een enzymenbepaling en slechts nadien het EMG-onderzoek. Enzymen zijn zeer belangrijk in de diagnosestelling. Maar doordat men op een aantal plaatsen met naaldjes in de spieren prikt, worden die beschadigd en kunnen de enzymen stijgen. Zo kan er een totaal verkeerd beeld ontstaan. Bv. als men bij een persoon die niet aan myositis lijdt, bloed prikt na een EMG, zouden de hoge enzymen onterecht aan een myositisprobleem kunnen doen denken.
Geleidingsonderzoek
Het geleidingsonderzoek test de functie van de zenuwen in armen en/of benen. Men gaat na hoe snel de zenuwen hun werk doen. Zieke zenuwen werken langzamer dan gezonde.
Om dat onderzoek goed te begrijpen, gaan we na hoe het zenuwstelsel werkt. (afb. blz. 18)
De hersenen en het ruggenmerg vormen het centrale zenuwstelsel. Die kwetsbare organen worden beschermd door de schedel en de wervelkolom.
De zenuwen tussen de hersenen en het ruggenmerg enerzijds en de organen anderzijds, rekent men tot het perifere zenuwstelsel. De perifere zenuwen die de prikkels van de organen naar het centraal zenuwstelsel voeren, zijn de gevoelszenuwen. Perifere zenuwen die de prikkels vanuit het centrale zenuwstelsel naar de organen leiden, zijn de motorische zenuwen.
Het perifere zenuwstelsel heeft 43 paar hoofdzenuwbanen:
• 12 paar hersenzenuwen, die rechtstreeks uit de onderkant van de hersenen komen, verbinden de hersenen vooral met de hoofd en nekstreek;
• 31 paar ruggenmergzenuwen zijn aan het ruggenmerg bevestigd. Ze beginnen bij de nek en lopen vervolgens door tot het hele lichaam, waarbij ze zich in steeds kleinere vertakkingen splitsen. Zenuwen vanuit de nek gaan naar de armen, vanuit het middenstuk naar de romp en vanuit het onderste deel naar de benen.
Bij een motorisch geleidingsonderzoek worden een aantal elektroden boven de spieren op de huid bevestigd, en wordt een zenuw achtereenvolgens op een aantal plaatsen geprikkeld door een korte elektrische schok. Men meet de spiersamentrekking en de tijd die de zenuw nodig heeft om die impuls door te geven. Een gezonde zenuw doet dat in minstens 50 m/s voor de armen, en minstens 40 m/s voor de benen. Van zodra dit trager gaat, is er een probleem. De arts onderzoekt verschillende zenuwen en kan zo zien of er een probleem is met één of meerdere zenuwen en waar het probleem zich juist bevindt.
Bij het onderzoek van de gevoelszenuw schuift men ringetjes of een oppervlakte-elektrode om de vingers van de patiënt en krijgt hij elektrische schokje op de gevoelszenuw zelf. Ook hier berekent men hoe lang het duurt voor er reactie komt en hoe sterk die is.
Een derde mogelijkheid in het geleidingsonderzoek zijn de spinale reflexen. Dat zijn reflexen die via het ruggenmerg gaan.
Wat is het verschil met de andere twee onder-
zoeken?
Een elektrisch schokje op een zenuw geeft via de zenuwgeleiding weg van het ruggenmerg een reactie op een andere plaats: in de te onderzoeken spier. Dat is een eerste vlug antwoord. Maar die zenuwprikkel gaat ook richting ruggenmerg, hij keert dan terug en geeft dan een later antwoord. Het tweede antwoord geeft ons informatie over gans de arm, een stukje van de nek of een stukje van de rug; dus informatie over een deeltje naar de rug toe.
De laatste drie onderzoeken zijn minder belangrijk bij de diagnose van myositis omdat ze eerder geleidingsonderzoeken zijn. Daarom besteden we er minder aandacht aan in dit verslag. Het zijn 'Evoked Potentials', wat letterlijk 'opgewekte potentialen' betekent.
De SSEP (Somato Sensory Evoked Potential)
Men geeft kleine elektrische prikkels in het gebied dat men wil onderzoeken. De prikkels gaan via de gevoelszenuw van de armen of de benen langs het ruggenmerg naar de hersenen. Die prikkels worden dan in de hersenen opgevangen. Zo kan men zien of de gevoelszenuw ergens in dat gebied beschadigd is. Maar gezien gevoelszenuwen bij myositis niet aangetast zijn, heeft dat onderzoek hier geen zin.
De MEP (Motor Evoked Potential)
De MEP is een magnetisch onderzoek. Men geeft magnetische schokken op het hoofd. Door die schokken wordt een deel van de hersenen gestimuleerd, wat op zijn beurt de zenuwen doet werken. Die stimuleren dan weer de spieren, die hierdoor samentrekken. Zo kan men zien of de zenuw die naar de spieren loopt normaal werkt of niet. Ook dit onderzoek is voor de diagnose van myositis niet zinvol.
Men kan ook nog onderzoeken doen met geluid (BAEP: Brainstem Auditory Evoked Potential) en licht (Visial Evoked Potential).
Toepassing EMG
Hier volgen enkele aandoeningen waarbij men de EMG gebruikt bij het onderzoek.
Compressieneuropathie
Als er een bepaalde druk geweest is op de zenuw, wordt de zenuw beperkt in zijn functie. Bijvoorbeeld als we lang met gekruiste benen zitten, staat de zenuw van de knie langdurig onder druk. In een aantal gevallen zwelt de zenuw, waardoor hij de elektrische signalen niet goed meer kan doorgeven. Dat kan een verlamming tot gevolg hebben. En als we dat segment stimuleren, vertraagt de begeleidingssnelheid en kunnen we het probleem perfect opsporen.
Radiculopathie
een aandoening van de zenuwwortel. De zenuwwortel is dat deel van de zenuw dat het ruggenmerg verlaat. Een hernia is een veel voorkomende oorzaak van radiculopathie. De zenuwwortel zit gekneld, waardoor we zenuwpijn krijgen, pijn in de benen, gevoelsstoornissen vaak gecombineerd met rugpijn, gestoorde reflexen. Om te kunnen evalueren welk niveau van de zenuwwortel er aangetast is, waar de hernia vermoedelijk zit en of de aantasting ernstig is, kunnen we verschillende onderzoeken doen.
Plexusletsel
een zenuwaantasting van een bundel zenuwen.
Bv. bij iemand die valt en zijn schouder breekt, kan ook de plexus die daar vlak bij ligt, beschadigd zijn. Door middel van het EMG kan men zeggen welke deeltjes van de plexus beschadigd zijn en in welke mate, en heeft de arts een idee over de herstelmogelijkheden van de zenuwen.
Voorhoornlijden
een oorzaak van een spieraandoening die heel typische afwijkingen op de EMG geeft.
De spier- en endrocrinologische stoornissen
Stoornissen aan de schildklier, bij suikerziekte, ... kunnen zich ook op de spieren zetten. Ook dat kunnen we uitmeten.
Myopathie en myositis
Voor deze aandoeningen is het EMG-naaldonderzoek heel belangrijk om twee redenen: het prikken en de reactie van de spieren in rust.
Doordat de arts veel plaatsen op de spier kan aanprikken, biedt die methode belangrijke informatie en dus extra zekerheid voor een juiste diagnose.
Bij myositis zijn de gevoelszenuwen niet aangetast, dus die worden enkel onderzocht om geassocieerde pathologie uit te sluiten, zoals polyneuropathie.
Ook de motorische zenuw is niet aangetast, maar enkel de spier die reageert op de zenuwprikkel. De reactie van een zieke spier is korter en iets minder krachtig. Naargelang de duur van de aantasting verandert ook de vorm van het spierantwoord. Daardoor zien we of de aandoening recent is of als die al lang aanwezig is.
Als men met een naaldje in een gezonde spier in rust prikt, dan ziet men geen potentialen op het computerscherm, want er is geen elektrische verandering omdat de spier niet werkt. Maar bij een zieke spier ziet men een abnormale vorm en veel activiteit op het scherm. Dat is bij myositis ontzettend duidelijk.
Door de spier te laten samentrekken door de patiënt, ziet men hoeveel vezels nog werken. Bij een chronisch proces worden steeds meer vezels ziek en zullen ze niet meer functioneren.
Polyneuropathie
‘Poly’ betekent ‘veel’, ‘neuropathie’ betekent ‘zenuwaandoening’.
Iemand met een auto-immuunaandoening kan daarbij een gecombineerde zenuwontsteking hebben.
Wat betekent ‘zenuwontsteking’?
De motorische zenuwen (dus de zenuwen die naar de spieren gaan), of de gevoelszenuwen of een combinatie van beide kunnen aangetast zijn.
Bij axonale degeneratie worden de axonen (uitlopers van een zenuwcel) zelf aangetast en sterven af. Dat geeft een typisch beeld bij een EMG.
Bij demyelinisatie verdwijnt de myeline (de beschermingslaag rond de zenuw) en vermindert de geleidingssnelheid. In plaats van een normale 50 m per sec kan die snelheid dalen naar 40 - 30 of 20 m per seconde. Afhankelijk van de geleidingssnelheid weet de arts of hij te maken heeft met een zware of een lichtere beschadiging.
Typisch bij de polyneuropathie is er een distale aantasting. Dat betekent dat vooral de handen en de voeten aangetast zijn. Neuropathie begint meestal aan de benen en treft in een later stadium de handen. Dat is het omgekeerde van spieraandoeningen die eerst proximaal aangetast worden: vooral de schouder- en de heupspieren; (bij neuropathie zijn het vooral de uiteinden).
Cryptotetanietest
Dat is een onderzoek bij mensen met een veralgemeende spierpijn die niet aan een auto-immuunziekte noch aan een specifieke spierziekte lijden. Toch is er een verhoogde prikkelbaarheid van spieren en zenuwen waardoor die mensen als ze bv. in de kou staan, gespannen zijn of die bij inspanningen gemakkelijk verkrampen.
Om te weten of iemand aan spasmofilie lijdt, dus aanleg heeft voor het ontwikkelen van spasmen, lokt de arts ze uit.
Een bloeddrukmeter wordt gedurende 10 minuten rond de bovenarm opgespannen, waarbij de bloeddrukmeter een druk heeft boven de systolische druk van de patiënt, zodat er geen bloed meer in of uit kan. Na 10 minuten lost men de bloeddrukmeter en geeft men een prikje in de hand.
Bij iemand die spasmofilie heeft, ziet men na 3 à 4 minuten op het computerscherm een verkramping van de spier ontstaan, en dat terwijl de hand van de patiënt volledig in rust is.
In een aantal gevallen gebeurt er niets, maar dat wil niet zeggen dat die persoon niets heeft. Men kan hem direct nadien één minuut diep laten in en uitademen, dus hyperventileren, en bij een aantal mensen komen de krampen dan pas tot uiting. De krampen die op het scherm komen, noemt men multiplets. Een van de basisbehandelingen is het toedienen van magnesium, omdat men vermoedt dat die verhoogde prikkelbaarheid van de spiervezel en het ontstaan van krampen o.a. een tekort daaraan is. Dat is absoluut geen spierziekte, maar het is best wel vervelend.
Laatste update: 27-02-2011
Tweet Vorige pagina: Medisch CIB-Algemeen
Volgende pagina: Medicatie



